Nederlands West-Indië, 1/4 gulden 1794 geslagen te Utrecht
ARTIKEL | De munten van de Nederlandse koloniën vormen een interessant verzamelobject voor veel Nederlandse verzamelaars. Een gedeelte van de Nederlandse geschiedenis loopt parallel met de ontwikkeling van de koloniën. Het is dus mogelijk om een vergelijking te maken tussen de munten die in Nederland en in de rest van het koninkrijk gebruikt werden en worden.
Daarnaast zijn de koloniale munten boeiend omdat een groot aantal gesierd is met fraaie beeldenaars, geslagen bij 's Rijks Munt in Utrecht. Voor de verzamelaar zijn de munten van de Nederlandse Antillen aantrekkelijk omdat er bijna geen zeldzame exemplaren zijn.
De meeste Antilliaanse munten zijn gemakkelijk en voor weinig geld te koop in Nederland. Maar men kan ook op een andere manier aan Antilliaanse of Arubaanse munten komen. Tegenwoordig zijn de Nederlandse Caribische eilanden een populaire vakantiebestemming en veel vakantiegangers houden wat muntgeld aan de vakantie over. Dit kan een leuk begin of een aanvulling vormen voor de verzameling.
In dit artikel staan de munten van de Nederlandse Antillen centraal (Aruba, Bonaire, Curaçao, St. Maarten, St. Eustatius en Saba).
St. Maarten, driekantje ca. 1815
Nederlandse gulden 1821 Utrecht gekapt in vieren en ingestempeld met de letter C. Foto Coin Investment bv.
Curaçao van 1816 tot 1940
Sinds 4 maart 1816 is Curaçao onafgebroken Nederlands gebied. Daarvoor behoorde het gebied afwisselend aan de Engelsen, Spanjaarden en de Westindische Compagnie (WIC) toe. We pakken de draad van de muntgeschiedenis op in 1827. In dat jaar werd het Nederlandse geldstelsel ingevoerd op Curaçao. Vóór 1827 gebruikte men zeer veel verschillende munten als de Spaanse pesos en de Portugese Johannis. Om enige orde te scheppen introduceerde men dezelfde munten als in Nederland.
Maar ook na 1827 duurde de chaos voort: clubs in Willemstad en kooplieden moesten bons uitgeven die als pasmunt werden gebruikt. Om de bevolking tegemoet te komen, verklaarde men Amerikaanse munten tegen een vaste koers gangbaar; ook het Franse 5 franc-stuk werd gebruikt. Om het tekort aan 25 centstukken op te heffen, besloot men in 1838 6000 guldens in vieren te kappen en te voorzien van de klop "C".
Naar aanleiding van de treurige toestand van het geldverkeer op Curaçao, ontving het Muntcollege in 1894 een voorstel van de Minister van Koloniën. Deze stelde voor om op Curaçao de Nederlandse pasmunt in te voeren, gestempeld met een "C". Het Muntcollege voelde niets voor het voorstel. Op 23 mei 1897 kwam er een nieuwe Muntwet voor Curaçao. Deze wet maakte het mogelijk om afzonderlijke Curaçaose munten in te voeren. De Nederlandse munten zouden wettig betaalmiddel blijven, net als enige vreemde, gouden munten. De vreemde zilveren munten die Curaçao overspoelden, waren geen betaalmiddel meer.
De nieuwe Muntwet leidde tot het 1/4 guldenstuk van 1900 en het 1/10 guldenstuk uit 1901. Ingenomen en vervolgens omgesmolten.
Spaanse pesos dienden als grondstof voor deze zilveren munten. Van de kwart gulden werden 480.000 stuks geslagen; de grootte, materiaal en de voorzijde waren identiek aan de Nederlandse kwartjes van 1898-1906.
Het 1/10 guldenstuk uit 1901 is vrijwel identiek aan het kwart guldenstuk. Het verschilt alleen in grootte, gewicht en waardeaanduiding. De voorzijde is gelijk aan de dubbeltjes uit de periode 1898-1901. De achterzijde van de 1/10 en 1/4 gulden zijn vergelijkbaar met de voorzijde van dezelfde denominaties uit Nederlands-Indië van dezelfde periode.
Curaçao, ¼ gulden 1900
Vierkante stuiver
Van zowel de 1/10 gulden 1901 als de 1/4 gulden 1900 is een uiterst zeldzame gouden proefslag vervaardigd. Het 1/4 en 1/10 guldenstuk werden vlak voor de Tweede Wereldoorlog vervangen door Nederlandse kwartjes en dubbeltjes. De Wet van 27 maart 1915 maakte de vierkante stuiver ook wettig betaalmiddel in Suriname en Curaçao. Deze stuiver deed in Nederland al dienst sinds 1913.
Ontwerp 2½ cent 1944 palmboom, letter niet ingevuld, brons. Foto Laurens Schulman bv.
Curaçao van 1940 tot 1948
Ook gedurende de Duitse bezetting van Nederland had Curaçao behoefte aan muntgeld. De eilanden gebruikten Nederlandse munten; aanmunting bij 's Rijks Munt was door de oorlog niet mogelijk. Daarom liet de Nederlandse regering in Philadelphia Nederlandse munten slaan. De munten bestemd voor de koloniën zijn te herkennen aan het muntteken: de palmboom. (Munten bestemd voor het bevrijde Nederland kregen als muntteken een eikel).
Voor Curaçao werden geslagen: centen (1942), stuivers (1943), dubbeltjes (1941 en 1943), kwartjes (1941 en 1942). Speciaal voor Suriname sloeg men centen (1943) en dubbeltjes (1942). De rijksdaalder en de gulden uit 1943 waren bestemd voor Nederlands Indië, ze zijn echter nooit (wegens de oorlogsomstandigheden) verscheept.
Curaçao, 1/10 gulden 1901
1 gulden 1943 Denver Palmboom
Interessant om te weten is dat de stuiver uit 1943 (maar geslagen in 1944) niet van nikkel is, zoals de vooroorlogse stuivers, maar van nieuwzilver of alpacca (nikkel, zink en tin of een combinatie van nikkel en zilver).
Ook het muntmetaal voor de cent veranderde: samenstelling 1942 = 95% koper, 1% tin, 4% zink; in 1943 = 70% koper en 30% zink. De samenstelling van de dubbeltjes en de kwartjes komt overeen met die van voor de oorlog.
De Nederlandse regering in Londen publiceerde in het Staatsblad het Koninklijk Besluit van 29 juli 1943 "Muntvoorschriften voor Curaçao 1942", dat maakte de weg vrij voor Curaçaose munten, Geslagen te Denver. In 1944 sloeg men 1 en 2 1/2 centstukken, 1/10, 1/4, 1 en 2 1/2 guldenstukken.
Al deze munten droegen het opschrift "Munt van Curacao", maar zijn - op de munttekens na - van het vooroorlogse type.
2½ gulden Denver Palmboom
Na de bevrijding van Nederland waren de eerste munten die geslagen werden door 's Rijks Munt te Utrecht bestemd voor Curaçao. Zo sloeg men in 1947 pasmunten van 1 en 2 1/2 cent, 1/10 en 1/4 gulden. Deze komen op het muntteken en het muntmeesterteken (vis) na overeen met de munten uit 1944.
In 1948 slaat men een vierkante stuiver die afgeleid is van de vooroorlogse Nederlandse stuiver en een 1/10 guldenstuk met de toen nieuwe beeldenaar van Koningin Wilhelmina gemaakt door prof. L.O. Wenckebach.
1/10 gulden Curaçao, 1947
1 gulden Nederlandse Antillen 1952
De Nederlandse Antillen van 1948 tot 1986
In de grondwet van 1948 werd de naam Curaçao voor de Westindische eilanden vervangen door een nieuwe naam: de Nederlandse Antillen. Op muntgebied veranderde er ook een aantal zaken.
In 1949 devalueerde de Nederlandse regering de gulden. In de koloniën handhaafde men echter de oude waarde van de gulden. Dit betekende wel dat er voor de koloniën en het moederland verschillende munten moesten komen. De verhouding was nu 1:2.
Eén gulden uit de koloniën was dus twee Nederlandse guldens waard. Na de troonsafstand van Koningin Wilhelmina in 1948, kozen de Antillen voor het nieuwe portret van Koningin Juliana, alweer gemaakt door prof. Wenckebach. De specificaties van de nieuwe munten voor de Antillen waren gelijk aan de vooroorlogse Nederlandse munten. De eilanden lieten deze muntreeks in 1970 voor het laatst slaan.
1, 2½, 5, 10, 25 cent Nederlandse Antillen 1969
In 1969 sloeg ’s Rijks Munt 200 series pasmunten met nieuwe ontwerpen. De voorzijde van de guldens en de rijksdaalders bleven gelijk. Op de achterzijde verving men het koninkrijkswapen door het Antilliaanse wapen.
Beide munten werden nu in nikkel uitgevoerd en de rijksdaalder werd kleiner. De overige munten (1, 2 1/2, 5, 10 en 25 cent) kregen op de voorzijde het Antilliaanse wapen en op de keerzijde de waardeaanduiding. Het kwartje en het dubbeltje voerde men nu ook uit in nikkel.
Vanwege de hoge kosten sloeg men 1978 het 1 en 2 1/2 centstuk voor de laatste maal in brons. Vanaf 1979 werden beide uitgevoerd in aluminium. In 1980 werd deze muntreeks voor het laatste gewijzigd. De reden was de inhuldiging van Beatrix tot Koningin van Nederland. Op de gulden en rijksdaalder verscheen een portret van Koningin Beatrix gemaakt door J. Hekman.
1 gulden Nederlandse Antillen 1969
2½ gulden Nederlandse Antillen 1969
Speciaal voor verzamelaars startten de Nederlandse Antillen in 1979 met de uitgifte van FDC-sets. In 1980 nam men de guldens en rijksdaalders met het portret van Koningin Juliana op in de FDC-set.
FDC-set Nederlandse Antillen van 's Rijks Munt
Nu werden in dat jaar ook voor het eerst guldens en rijksdaalders geslagen met het portret van Koningin Beatrix. Deze guldens en rijksdaalders werden in een speciale FDC-set 1980 (in oranje verpakking) uitgebracht.
300 gulden Nederlandse Antillen 1980
200 gulden Nederlandse Antillen 1976 en 1977
In de periode 1973-1982 gaven de Nederlandse Antillen vijftien zilveren en gouden munten uit. De laagste waarde is de 5 gulden, de hoogste 300 gulden. Niet al deze munten zijn geslagen te Utrecht.
Het 25 guldenstuk 1973 werd geslagen bij de Royal Canadian Mint te Ottawa (Canada). De 25 en 200 guldenstukken 1976 en 1977 bij de Franklin Mint te Philadelphia (USA) en het 50 guldenstuk 1982 met op de achterzijde Peter Stuyvesant bij de York Mint (Engeland).
Het zal duidelijk zijn dat deze zilveren en gouden munten geen rol spelen in het dagelijkse betalingsverkeer. Maar door de fraaie afbeeldingen is het zeker de moeite waard om ze te verzamelen.
250 gulden Nederlandse Antillen 1979
Aruba van 1986 tot heden
Op 1 januari 1986 maakte Aruba zich los van de andere eilanden en kreeg binnen het koninkrijk een Status Aparte. Aruba heeft sindsdien een eigen munteenheid: de florin.
Net als de Antilliaanse gulden staat de florin in een vaste verhouding tot de Amerikaanse dollar (1 Us$ = 1.79 florin).
Als beeldenaars koos men voor een ontwerp van de Arubaanse kunstenaar Evelino Fingal. Aan het einde van 1985 sloeg 's Rijks Munt in Utrecht de eerste series met als jaartal 1986 zodat Aruba bij de invoering van de nieuwe status gelijk over een eigen muntreeks kon beschikken.
De reeks bestaat uit de volgende denominaties: 5, 10, 25 en 50 cents, 1 en 2½ florin. Voor alle munten is het materiaal nickel bonded steel gebruikt. Dit materiaal maakt men door langs een elektro-chemische weg de stalen kern te voorzien van een nikkelen deklaagje. Dit laagje vormt ongeveer 10% van het muntgewicht. De complete muntreeks verscheen in de jaren 1986, 1987, 1988, 1989 en 1990.
Speciaal voor muntverzamelaars, maar ook voor toeristen die Aruba bezoeken, besloot de Arubaanse regering FDC-sets te laten vervaardigen. In Nederland distribueert 's Rijks Munt deze sets. In 1986 verscheen er geen echte FDC-set; deze set opgebouwd uit gewone circulatiemunten aangevuld met een jaarpenning. Vanaf 1987 verschenen er wel echte FDC-sets.
De Arubaanse munten: 5, 10, 25, 50 cent en 1 en 2½ florin 1986
FDC Aruba 1987
De verpakking is vergelijkbaar met die van de Nederlandse FDC-sets en lijkt op een klein boekje van zes pagina's. In de pagina's 3 en 4 zijn de munten opgenomen. Op de andere pagina's staan foto's van Aruba. De jaarpenning is ook gewijzigd in vergelijking met de penning van 1986.
Ter gelegenheid van de Status Aparte gaf het bestuurscollege opdracht tot de vervaardiging van een zilveren munt van 25 florin in 1986. Hiervan werden er 15.250 in circulatiekwaliteit. Het ontwerp van het 25 florinstuk is bijna identiek aan het 2½ florinstuk. Deze munt kan men tegenwoordig niet meer gebruiken als wettig betaalmiddel.
25 florin 1986
Nederlandse stuiver als inspiratiebron voor de nieuwe muntreeks van de Nederlandse Antillen
Nederlandse Antillen van 1986 tot heden
Door de uittreding van Aruba uit het eilandverband voelde de vijf overgebleven eilanden de noodzaak om een nieuwe muntreeks te ontwikkelen. Op de oude munten stond namelijk een wapenschild met zes sterren die de eilanden van de Antillen vertegenwoordigden.
Op de nieuwe munten moesten dus in ieder geval vijf sterren staan. Het duurde echter tot 1989 voordat er een nieuwe muntreeks was. De nieuwe munten werden mogelijk gemaakt door de "Regeling voor het muntstelsel van de Nederlandse Antillen 1989". De Antilliaanse Minister van Financiën G. de Paula, sloeg op 6 december 1989 de eerste nieuwe munten bij 's Rijks Munt in Utrecht. De Antilliaanse gulden staat - net als de Arubaanse florin - in een vaste verhouding tot de Amerikaanse dollar.
De munten van de Nederlandse Antillen: 1, 5, 10, 25, 50 cent en 1 en 2½ gulden
De muntreeks is als volgt opgebouwd: 1, 5, 10, 25 en 50 cent, 1 en 2 1/2 gulden. Het 2 1/2 centstuk komt dus niet meer voor in de nieuwe reeks. De twee kleinste denominaties zijn van aluminium gemaakt, het 10 en 25 centstuk zijn gemaakt van nickel bonded steel. De andere drie stukken van aureate steel. De complete muntreeks verscheen in 1989 en 1990. De gulden is het minst gewijzigd in vergelijking met de oude muntreeks. Hij is weliswaar goudkleurig en de diameter is verkleind van 28 naar 24 mm. De voor- en keerzijde zijn echter identiek met de gulden uit de oude reeks, op het wapen na. Het 2 1/2 guldenstuk is licht gewijzigd: het formaat is kleiner dan de 2 1/2 gulden van de oude muntreeks, het muntstuk heeft een achthoekige binnenrand en onder het portret van de koningin twee parels. Ook dit muntstuk is goudkleurig en dat geldt ook voor het vierkante 50 centstuk.
Het basisontwerp voor het 50 centstuk dateert uit 1910 en werd gemaakt door de stempelsnijder van 's Rijks Munt J.C. Wieneke. In Nederland (1913-1940) en in de Antillen (1943-1970) is dit ontwerp gebruikt voor de vierkante stuivers. Het 1, 5, 10 en 25 centstuk zijn gemodelleerd naar het 50 centstuk. Ze zijn echter rond, hebben een kartelrand en zijn zilverkleurig.
Voor verzamelaars zijn er 15.000 sets met het jaartal 1989 (brilliant uncirculated) geslagen en 10.000 sets met het jaar 1990. De verspreiding werd verzorgd door 's Rijks Munt te Utrecht. (De sets zijn verpakt als de Nederlandse FDC-sets 1982-1986).
Uncirculated set Nederlandse Antillen 1989
Ondanks deze nieuwe muntreeks is de Antilliaanse gulden niet het enige betaalmiddel op de eilanden. Het eiland St. Maarten spant wat dat betreft de kroon. Vanwege de toeristenindustrie zijn betalingen in Amerikaanse dollars heel gewoon.
Tijdens een bezoek aan dit eiland zagen we zelfs winkels met drie prijzen per produkt: één in Amerikaanse dollars, één in Antilliaanse guldens en één in Franse francs. Deze laatste zijn wettig betaalmiddel op het Franse deel van St. Maarten.
Paus Johannes Paulus II bezocht in mei 1990 gedurende enkele uren Curaçao. Ter gelegenheid van dit bezoek heeft de Antilliaanse Centrale Bank een zilveren 25 guldenstuk uitgebracht. Aan de voorzijde staat het portret van de paus afgebeeld, op de keerzijde staat een afbeelding van de Julianabrug in Willemstad (Curaçao) afgebeeld. De specificaties zijn gelijk aan ons 50 guldenstuk.
25 gulden Nederlandse Antillen 1990
Litteratuur:
H. Enno van Gelder, De Nederlandse munten, vijfde druk. Utrecht/Antwerpen, 1972 (Aula).
H. Jacobi & B. van Beek, Geld van het koninkrijk, Amsterdam, 1988.
Albert A.J. Scheffers, "100 jaar vorstinnen op munten", in: 100 jaar vorstinnen op munten en penningen, Utrecht, 1990.
C. Scholten, De munten van de Nederlandsche gebiedsdeelen overzee 1601-1948. Amsterdam, 1951.
J. Mevius, Speciale catalogus van de Nederlandse munten van 1806 tot heden met Ned. West-Indië, Ned. Oost-Indië, Suriname, Curacao, Ned. Antillen, Aruba. Vriezenveen, 1985-1990.
Muntalmanak, inclusief catalogus van: Nederland, Suriname, Curacao, Nederlandse Antillen, Aruba, Nederlands Indië, Editie '90-'91, Roermond 1990.
Jaarverslag van 's Rijks Munt. Utrecht, 1985, 1986, 1987, 1988 en 1989.
Door drs Rob Neutelings
Dit artikel is niet digitaal verschenen. De foto's zijn scans uit het tijdschrift. De fotograaf is in de meeste gevallen niet bekend. Alleen de afbeelding van de 25 gulden uit 1990 en de stuiver uit 1939 zijn door mij gemaakt.
1) De Nederlandse Antillen was van 1954 tot 2010 een land binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Het bestond uit de zes eilanden in de Caraïbische Zee: Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten. Aruba kreeg in 1986 een status aparte. De Nederlandse Antillen werd als land op 10 oktober 2010 opgeheven. Curaçao en Sint Maarten werden net als Aruba zelfstandige landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Bonaire, Sint-Eustatius en Saba werden bijzondere Nederlandse gemeenten worden.
2) De euro verving vanaf 1 januari 2002 de guldenmunten en -biljetten en daarmee verdwenen ook een aantal aanduidingen van munten in onze spreektaal. Hoe zal het ook al weer?
Rijksdaalder: 2½ gulden
Kwartje: 25 cent
Dubbeltje: 10 cent
Stuiver: 5 cent