OPINIE | De Nederlandse arbeidsmarkt kent een grote uitdaging. Enerzijds is er veel behoefte aan goed opgeleide vakmensen, anderzijds daalt het aantal mbo-studenten jaar na jaar. Deze trend zet de toekomst van het mbo-stelsel flink onder druk, want gezonde mbo-instellingen zijn belangrijk voor vitale, regionale arbeidsmarkten.
Nederland had vorig jaar 475.000 mbo-studenten. In 2024 zijn dat er 10.000 minder. Naar verwachting zal het aantal dalen tot 450.000 in 2030. Een aantal mbo-instellingen zal moeten sluiten vanwege te kleine studentenaantallen. Alle reden om te zorgen dat het mbo-stelsel structureel gezond wordt en dat duurzaam kan worden voorzien in de opleiding van vakmensen. Ik heb drie voorstellen om dat mogelijk te maken:
Ten eerste is het zinnig om het aantal mbo-instellingen omlaag te brengen. In 2023 waren dat er 57, waarvan iets minder dan de helft minder dan 5000 studenten heeft. Kleine instellingen kunnen in de toekomst niet meer financieel rondkomen. Bij een reductie van het aantal instellingen, bijvoorbeeld één per arbeidsmarktregio, kun je volstaan met 35 mbo-instellingen. Iedere regio behoudt zo mbo-onderwijs. Minder instellingen betekent ook minder overhead; de besparing op bestuurderssalarissen alleen al is de moeite waard.
Daarnaast zouden de 419 mbo-opleidingen zich minder moeten focussen op de verschillen tussen beroepen, en juist meer moeten kijken naar de overeenkomsten. Vaardigheden die nodig zijn voor meerdere beroepen kun je gezamenlijk aanleren; zet de receptionist en de stewardess samen in de klas om te leren over gastvrijheid. Bied studies aan in brede domeinen als techniek, zorg, economie en groen, waarna studenten zich kunnen specialiseren in een beroep. Dat is efficiënt en verkleint de kans op verkeerde studiekeuzes op jonge leeftijd.
Ten slotte moet de financiering eenvoudiger worden. In het huidige financieringsmodel voor het mbo krijgen de instellingen betaald per student en per diploma. Het effect is stevige concurrentie tussen instellingen; niet op kwaliteit van het onderwijs, maar vooral op kwantiteit en kwaliteit van hun marketing. Daarnaast kan een onderwijsinstelling allerlei tijdelijke geldstromen aanvragen. Laten we overstappen naar een model waarin het geld eerlijk wordt verdeeld op basis van de grootte van de arbeidsmarktregio. Dit geeft rust, voorspelbaarheid en veel minder bureaucratie en administratieve rompslomp.
Met deze voorstellen behouden we een sterk en duurzaam mbo-stelsel. Scholing, omscholing en bijscholing van vakmensen blijft dan mogelijk in heel Nederland. En dat is noodzakelijk voor welvaart en welzijn. De nieuwe minister van Onderwijs Eppo Bruins kan aan de slag!
Rob Neutelings, voorzitter van de raad van bestuur van Curio.
Link naar de publicatie (geraadpleegd op 25 december 2025)
Deze opinie is een ingekorte versie van een versie die ik op Linkedin publiceerde. Die lees je hieronder:
aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dr. E.E.W. Bruins
betreft: mbo
Etten-Leur, 1 juli 2024
Geachte heer Bruins,
Allereerst: van harte gefeliciteerd met uw ministerschap. In uw motivatiebrief en in de hoorzitting van 20 juni jl. benoemt u het belang van vakmensen. ‘Een geweldig schoolsoort’ zegt u over het mbo. Met u deel ik het belang dat mbo-opgeleide mensen nodig zijn voor de samenleving en de economie.
Zorgen in het mbo
Nu zijn er ook zorgen. Allereerst krimpt het aantal mbo-studenten al jaren. In studiejaar 2023-2024 waren er 10.000 mbo’ers minder dan het voorgaande studiejaar. De verwachting is dat het huidige studentenaantal van 475.000 in 2030 verder daalt naar 450.000 studenten. De belangrijkste leverancier van mbo, het vmbo, krimpt ook fors. In 2015 waren en nog 221.856 vmbo-leerlingen; in 2023 nog 191.740. Een krimp van 13,5%.
Minder studenten leveren de mbo-instellingen minder financiële middelen op. Tegelijkertijd stijgen de vaste kosten voor mbo-instellingen, bijvoorbeeld doordat ze willen en moeten inspelen op de IT-ontwikkelingen.
Gezond mbo-stelsel
De dalende studentenaantallen bedreigen het mbo. En dat terwijl een sterk mbo-stelsel belangrijk is in een economie die mede drijft op het vakmanschap van mbo-opgeleide werknemers. De politiek ziet dat probleem, alleen de maatregel die men heeft bedacht, is geen structurele oplossing. Voor de jaren 2025, 2026 en 2027 stelt de overheid 30 miljoen euro per jaar beschikbaar. De zogenaamde ‘krimpmiddelen’. Deze zijn bedoeld voor regio’s met een krimp die minimaal twee keer groter is dan de gemiddelde landelijke krimp. Het gaat dan om regio’s als Zeeland, Zuid-Limburg en Groningen. Mbo-instellingen in die regio’s kunnen daarmee kleinere opleidingen overeind houden en blijven concurreren met mbo-instellingen in regio’s die minder krimpen. Maar wat na die periode? Het probleem zal dan groter zijn dan nu. De krimpmiddelen zijn slechts pleisters op de wonde. We moeten zorgen dat ons mbo-stelsel structureel gezond wordt, dat duurzaam kan voorzien in de opleiding van vakmensen.
In deze brief staan daartoe drie voorstellen.
1. Reduceer het aantal mbo-instellingen
Er waren in 2023 in totaal 57 mbo-instellingen variërend in omvang. 24 instellingen hadden minder dan 5.000 studenten. 12 instellingen hadden een studentenpopulatie tussen de 5.000 en 10.000 studenten en 21 instellingen hadden 10.000 of meer studenten. Door de krimp van studenten en de druk op professionalisering van bijvoorbeeld de IT-ondersteuning, zullen sommige instellingen de endjes niet meer aan elkaar kunnen knopen. Het verminderen van het aantal mbo-instellingen is een oplossing. Een denklijn: in iedere arbeidsmarktregio is maximaal één mbo-instelling actief. In Nederland zijn 35 arbeidsmarktregio’s, dus dat zou maximaal 35 mbo-instellingen betekenen. En mogelijk nog minder als een mbo-instelling twee of meer arbeidsmarktregio’s bedient.
Van 57 naar 35 mbo-instellingen zorgt voor een robuustere schaalgrootte van de instellingen, betekent een forse reductie van overhead. Denk aan minder bestuurders en andere ondersteunde functies die gecombineerd kunnen worden. Dat levert miljoenen op.
2. Reduceer het aantal opleidingen – zet in op vaardigheden
In Nederland bestaat het mbo uit vier niveaus: niveau 1 entree is voor iedereen zonder vo-diploma. Niveau 2 is de basisberoepsopleiding, niveau 3 de vakopleiding en niveau 4 de middenkaderopleiding en de specialistenopleiding. Binnen de niveaus zijn er veel opleidingen: in totaal 419 verschillende studies. Voor heel veel specifieke beroepen is een aparte studierichting. Dit is niet efficiënt en ook niet effectief.
Waarom hebben we zoveel verschillende beroepsopleidingen? We kijken naar de verschillen tussen beroepen. Immers, een stewardess is echt iets anders dan een gastvrouw en dat is weer echt iets anders dan een receptionist of een beveiliger. Maar wat als we zouden kijken naar de overeenkomsten. Welke gezamenlijke vaardigheden (skills) zijn belangrijk in deze beroepen? Je leidt studenten daar gezamenlijk in op. Laat studenten instromen in domeinen als techniek, groen, zorg en welzijn, economie. Bied in zo’n domein een gezamenlijke basis aan met vaardigheden die in veel beroepen relevant zijn én die passen bij de arbeidsmarkt in de regio. Vervolgens kun je aan het einde van de studievaardigheden leren voor een specifiek beroep.
Een ander voordeel daarvan is dat vmbo-leerlingen die op een jonge leeftijd een studie kiezen een breder perspectief houden en dat gedurende hun studie kunnen verfijnen. Het risico op een verkeerde studiekeuze wordt zo kleiner.
In dit voorstel kunnen mbo-studenten in iedere arbeidsmarktregio opleidingen volgen in de domeinen techniek, groen, zorg en welzijn, economie en groen. Een student hoeft dus niet ver te reizen voor een opleiding. Wel zou om robuust onderwijs te kunnen verzorgen per specifieke vakopleiding een jaarlijkse instroom van minstens 50 nieuwe studenten moeten gelden. Mocht een student toch een specifieke opleiding willen volgen die niet wordt aangeboden in de eigen regio, dan moet hij of zij reizen.
3. Breng rust in de financiering
In het huidige financieringsmodel van het mbo krijgen de instellingen betaald voor prestaties. Dat klinkt mooi, maar het effect is stevige concurrentie. Iedere student levert namelijk geld op. Instellingen concurreren niet zo zeer op de kwaliteit van het onderwijs, maar vooral op de kwantiteit en kwaliteit van hun marketing.
Daarnaast zijn er steeds meer tijdelijke financieringsstromen met bijbehorende verantwoordingslast. Denk aan kwaliteitsgelden, krimpmiddelen, rif-subsidies, regiodeals en ga zo maar door.
Het ministerie zou beschikbare middelen over de mbo-instellingen kunnen verdelen naar rato van de omvang van de arbeidsmarktregio’s. Iedere instelling krijgt dan een jaarlijks bedrag dat meebeweegt met de omvang van de arbeidsmarktregio. Dat geeft rust en voorspelbaarheid en voorkomt bureaucratie in het aanvragen en verantwoorden van allerlei tijdelijke geldstromen die steeds meer moeten worden ingezet om structurele kosten te dekken.
Tot slot
Ik ben ervan overtuigd dat als mbo en ministerie deze voorstellen uitwerken en implementeren we een duurzame mbo-infrastructuur behouden. Elke regio behoudt zo voor de student thuisnabij mbo-onderwijs. Overigens: het omgekeerde is ook waar. Doen we niets, dan zal het mbo langzaam verschrompelen.
Ik wens u veel succes met uw ministerschap. Uiteraard ben ik graag bereid mee te denken over het geweldige mbo.
Met hartelijke groet,
Dr. Rob Neutelings
Voorzitter raad van bestuur Curio